Het Goddelijke Palmbos
Al het aardse,Het oppervlakkige
En materialistische,
Waarin het heden gevangen lijkt te zijn
Ontgaat mij volstrekt
Wanneer het afgebeelde mij aantrekt
In haar eenvoud.
Alsof ik tijdens een lichte, onverklaarbare bedwelming
Op de armen van een engel ben meegevoerd,
Bevind ik mij
In hetgeen ik zojuist aanschouwde.
Zachtaardig glimlacht de Oneindigheid mij toe,
Een omgeving waarin de Dood
Zich als hemels aan mij openbaart
Rustend aan mijn voeten buigt hij zich
Opdat ik zijn paden lichtvoetig kan bewandelen.
Tijd lijkt hier niet te zijn,
Zij is één geworden met de vergetelheid
De aanwezigheid Gods daarentegen lijkt áltijd te zijn
Warm, als het licht dat boven de boogvormige takken
Van de met groene nevel beschilderde bomen.
Wanneer ik,
Na enige tijd te hebben genoten van deze ervaring,
Uit het schilderij terug de werkelijkheid in klim,
Schamp ik mijn hand aan de omlijsting
Ik beslis ik dat het gras aan de andere zijde
Daadwerkelijk groener kan zijn.
Voldaan en nog altijd in extase verlaat ik “Het Goddelijke Palmbos”
door Charles Marie Dulac.




